
Geschatte leestijd: 7 minuten
Tinus was jarenlang een beroepscrimineel maar nadat hij voor de zoveelste keer was opgepakt en veroordeeld, besloot hij dat het genoeg was geweest. Toen hij na zijn laatste straf (logeren op een locatie van de overheid op kosten van de samenleving) weer op vrije voeten kwam, lukte het hem om met de hulp van zijn reclasseringswerker een huurhuisje te krijgen. Hij ontving een bijstandsuitkering van de gemeente en samen met de toeslagen had hij voldoende inkomen om van rond komen. Op papier dan. In de praktijk bleek het toch wat lastig te zijn voor Tinus, dus werd mijn hulp ingeschakeld.
We stelden een budgetplan op waarin stond hoeveel inkomen hij exact had, welke vaste lasten er waren en hoeveel er dus overbleef voor de boodschappen en om te kunnen sparen. De huur van zijn woning was relatief laag, waardoor hij meer dan gemiddeld ruimte in zijn budget overhield voor die boodschappen en het spaarpotje, maar Tinus was niet tevreden.
‘Hoe kunnen ze nou verwachten van mij dat ik het met tachtig euro per week ga redden?!’ brieste hij toen hij een keer bij mij op kantoor was voor een voortgangsgesprek.
‘Heb je dan moeite om daarmee rond te komen?’ vroeg ik.
‘Het is onmogelijk!’ riep hij. ‘Mijn shag alleen al kost me twintig euro per week. Echt, op deze manier dwingen ze me om weer de criminaliteit in te gaan. Toen had ik tenminste poen om te doen en laten wat ik wilde.’
‘Tsja,’ zei ik, ‘met tachtig euro zit je echt niet zo verkeerd hoor. De meeste alleenstaanden met een bijstandsuitkering moeten het doen met zo’n vijftig euro per week.’
‘Víjftig!?’ brulde hij.
Ik knikte. ‘Daarnaast heb je natuurlijk ook nog je spaarpot waar iedere maand zeventig euro in gestort wordt. Dat kun je gebruiken om af en toe nieuwe kleding te kopen. Of voor cadeautjes of een gezellig dagje uit. Daar hoef je dus die tachtig euro niet voor te gebruiken.’
‘Verwachten ze nou echt dat ik droog brood ga zitten vreten?’ Hij gooide dramatisch zijn armen in de lucht.
‘Ik weet natuurlijk niet wat je koopt met die tachtig euro, naast je shag dan. Ik stel voor dat je de komende maand al je bonnetjes bewaart. Dan kunnen we de volgende keer met elkaar kijken waar nog wat winst valt te behalen. Is dat een idee?’
‘Ik zou niet weten wat dát zou helpen,’ schamperde hij terwijl hij mijn vragende blik ontweek.
‘Je ontvangt nu een bijstandsuitkering…’
‘Ja, daar heb ik toch gewoon recht op!’ onderbrak hij me.
‘… en dat is het laatste sociale vangnet dat we hebben in Nederland. Het is enkel bedoeld voor de minimale noodzakelijke kosten om te kunnen leven.’
Hij begon misnoegd te snuffen.
Tegen beter weten in ging ik verder. ‘Het is een uitkering die betaald wordt van de belasting die geïnd wordt bij alle werkende Nederlanders en bij de Nederlandse bedrijven. Het is dus iets waar jij zelf nog nooit aan hebt bijgedragen. Het is in principe geld dat je cadeau krijgt van de maatschappij. Iedere maand opnieuw. Om ervoor te zorgen dat je in ieder geval een dak boven je hoofd en eten op je bord hebt.’
‘Die uitkering moet omhoog. Dit is gewoon crimineel!’
Ik vroeg me af of hij de ironie van die opmerking zag. ‘Of je kunt gaan werken,’ reageerde ik.
‘Huh?’
‘Nou, je weet wel, een baan zoeken en op die manier je inkomen vergroten.’
Hij keek naar me alsof ik iets ontzettend stoms had gezegd. Mijn relaas viel niet echt in vruchtbare aarde. Het idee alleen al om een betaalde baan te vinden buiten het criminele circuit was blijkbaar te bespottelijk voor woorden en het gemopper ging nog even door.
‘Nou ja,’ zei ik uiteindelijk, ‘tenzij je dus gaat werken, zul je het moeten doen met tachtig euro per week.’
Tinus belde regelmatig en kwam ook af en toe langs op kantoor om extra geld te vragen. Als zijn belletjes of bezoekjes in de ochtenden plaatsvonden, was hij altijd zeer correct: ‘Goedemorgen mevrouw Penning,’ zei hij dan beleefd. ‘Kunt u wat extra geld overboeken vandaag, ik wil graag naar de kapper.’
Als hij aan het begin van de middag belde of langskwam, was hij vaak iets jovialer: ‘Ha Mariëlle, gaat ie goed? M’n haar ziet er niet meer uit, ik mot echt naar kapper. Ken je wat overboeken?’
Zo tegen het einde van de middag was hij altijd aardig vrijpostig: ‘Hé, lekker ding, ken je effe wat extra storten voor het kappertje. Dank je wel hoor, schattebout.’
Het was in ieder geval een interessant patroon.
Wanneer een klant extra geld vroeg uit de spaarpot, was het antwoord altijd “ja”, zolang er natuurlijk geld in zat. Een deel van de klanten kon daar heel goed mee omgaan en had echte spaardoelen voor zichzelf vastgelegd. Sommigen spaarden voor een nieuwe spelcomputer, anderen spaarden voor een weekendje weg of om aan het einde van het jaar mooie kerstcadeautjes te kunnen kopen voor hun gezin. Een ander deel van de klanten had wat moeite met het concept “sparen”. Bij hen was de spaarpot aan het begin van iedere maand gevuld en aan het einde van de maand steevast weer leeg. Tinus hoorde bij de laatste categorie.
De ene keer moest hij een cadeautje kopen voor zijn kleindochter die jarig was, de andere keer een bos bloemen voor op het graf van zijn ouders (het viel me overigens op dat veel van mijn klanten altijd heel trouw – soms wel iedere twee weken – bloemen neerlegden op het graf van hun dierbaren), maar meestal belde hij omdat hij extra shag nodig had, of omdat hij niet uitkwam met de boodschappen. Het gemopper over die tachtig euro bleef hij volhouden, maar mijn suggestie om een maand lang de bonnetjes te bewaren zodat we samen naar zijn uitgavenpatroon konden kijken, bleef hij stelselmatig afwimpelen.
Op een avond was een collega van mij rond een uurtje of negen nog aan het werk op kantoor. Dat was in de periode dat we nog geen antwoordapparaat hadden. De telefoon ging over en uit automatisme nam ze deze op met een simpel “hallo?”.
Er werd niet veel gezegd. Er werd wel flink wat afgehijgd.
‘Ohhh… Hmmm…’ klonk het door de hoorn.
‘Met wie spreek ik?’ vroeg mijn collega vriendelijk.
‘Hijg hijg, gghhmmm…’ was de reactie.
‘Nou, ik ga weer ophangen hoor,’ waarschuwde ze.
Vervolgens hoorde ze iemand zachtjes “hmmmm Mariëlleeee’ kreunen.
Hoofdschuddend hing ze op en controleerde in het klantensysteem of het telefoonnummer misschien bekend was. Wat bleek, het nummer waarmee gebeld was, was van Tinus.
Toen mijn collega mij dit de volgende dag grinnikend vertelde, besloot ik Tinus even terug te bellen.
‘Ha Tinus,’ zei ik, ‘ik hoorde van mijn collega dat je gisteravond gebeld hebt, maar de verbinding was waarschijnlijk een beetje slecht. Ze kon namelijk niet goed verstaan wat je zei.’
‘Heb ik gisteravond gebeld?’ vroeg hij. ‘Daar uh, daar uh, nou, ja, nee, daar staat me niets van bij.’
‘Ach, nou, dan zal het allemaal vast een misverstand geweest zijn,’ antwoordde ik vriendelijk.
‘Ja, ja, dat denk ik ook. Maar nu ik je toch aan te lijn heb: zou je vandaag wat extra geld kunnen storten want ik red het echt niet hoor! Ik moet wasmiddel kopen en mijn vriezer is ook zo goed als leeg.’
‘Maar Tinus, je hebt gisteren het leefgeld van deze week ontvangen. Is die tachtig euro dan nu al op?’
Hij mompelde iets dat leek op “de boodschappen worden steeds duurder”.
‘Nou, goed hoor,’ reageerde ik, ‘er zit weer geld in je spaarpot. Ik boek het vandaag naar je over.’
Aan het einde van die werkdag stapte ik het kantoor uit en liep ik richting het station. Na een tiental meters hoorde ik iemand hard brullen. ‘Hé!! Mariëlle! Waar ga je heen? Waarom kom je er niet gezellig bijzitten?’ gevolgd door wat gelach en gejoel.
Wat wellicht goed is om te weten, is dat enkele deuren verder van ons kantoor een oude bruine kroeg gevestigd zat. Die kroeg ging altijd in de ochtend al open en zat regelmatig vol met mensen die daar een groot deel van hun uitkering spendeerden. Vooral in de dagen nadat uitkeringen gestort werden, zat het er lekker vol. Zoals ook die dag.
Vanwege het warme weer was de pui helemaal opengeschoven. Ik tuurde naar binnen om te zien wie mij zo vrolijk uitnodigde om erbij te komen zitten. En ja hoor, aan een van de tafeltjes zat onze Tinus. Aan de lege glazen op tafel te zien hadden hij en zijn tafelgenoten (waarvan ik een aantal herkende als klanten van ons kantoor) het erg gezellig.
‘Ha Tinus,’ zei ik terwijl ik voor de ingang bleef staan. ‘Dank je wel voor de uitnodiging hoor, maar ik sla deze even over.’ Ik knikte naar de lege glazen op tafel. ‘Zo te zien hebben jullie het zonder mij ook uitstekend naar jullie zin.’
‘Ah, joh, doe niet zo flauw lekker ding. De de zon schijnt, het bier is koud.’ Hij kreeg bijval van zijn drinkmaten die bevestigden dat het bier inderdaad lekker koud was, zolang je het maar heel snel opdronk.
Voordat ik kon reageren, was de kroegbaas vanachter de bar me al voor: ‘Hé Tinus! Laat die dame met rust wil je!’
‘Nee joh!’ brulde die terug. ‘Dat is mijn bewindvoerder, we kennen mekaar. Toch?’ Hij keek me vragend aan.
Ik knikte bevestigend naar de kroegbaas en richtte me vervolgens weer op de heren aan het tafeltje. ‘Ik ga lekker naar huis. Oh, trouwens, is het nog gelukt met de extra boodschappen?’ Ik keek Tinus veelbetekenend aan en gaf een klein hoofdknikje naar de lege glazen voor hem.
Tinus zat beteuterd te kijken.
Ik kreeg een grote grijns op mijn gezicht en stak een hand op. ‘Heren, veel plezier nog met elkaar!’ Vrolijk vervolgde ik mijn weg richting het treinstation.
Ik heb Tinus hierna nooit meer horen mopperen over zijn – in zijn ogen dan – veel te krappe weekbudget…
Vond je het een interessant verhaal, of misschien juist grappig of ontroerend? Je kunt mijn werk steunen door een duimpje te geven, het verhaal te delen of door hieronder een bericht achter te laten.