
Geschatte leestijd: 12 minuten
Ik stapte na mijn lunchpauze nietsvermoedend ons kantoor binnen en liep direct tegen een muur van stank op. Ik werd er bijna door teruggeworpen de binnenplaats op. De lucht in de hal was gevuld met een enorm penetrante geur waar mijn hersenen direct van in de overlevingsstand schoten. Mijn hele lijf smeekte om rechtsomkeert te maken en mijn benen stonden al paraat om mezelf te redden uit deze situatie. Er hing een peen-en-uien geur die zo sterk was dat de lucht bijna met een mes te snijden was. En alsof dat niet genoeg was, werd dit vermengd met de geur ongewassen kleding en ongewassen lichamen. Niet zomaar een paar dagen niet gewassen, maar een paar wéken niet gewassen, misschien zelfs nog wel langer. En echt alle denkbare geuren die horen bij ongewassen lichamen en ongewassen kleding waren te ruiken.
Over twintig minuten had ik een afspraak met meneer en mevrouw Zoetekauw. Ze waren bij mij aangemeld door een maatschappelijke organisatie die het stel al een tijdje in het vizier had. Ze waren al jarenlang hulpbehoevend én zorgmijdend. Dat is geen al te beste combinatie. Familie Zoetekauw was verslaafd en dakloos, mevrouw had PTSS vanwege zeer traumatische gebeurtenissen uit haar verleden (wat misschien die drugsverslaving verklaarde) en ze waren beiden geen onbekende van justitie. En oh ja, ze hadden waarschijnlijk ook wat schulden. Maar jarenlang hadden ze alle hulp geweigerd die hen werd aangeboden. Hulp bij de verslaving, hulp bij het vinden van een woning, hulp bij hun financiën, hulp met haar PTSS. Al die tijd wilden ze niets weten van welke instantie dan ook. Tot enkele weken geleden. Toen hadden ze een afspraak gehad met Pieter, een maatschappelijk werker (degene die het echtpaar nu bij mij had aangemeld) die hen wist over te halen om eindelijk die oh zo nodige hulp te gaan accepteren.
Het echtpaar Zoetekauw was echter twintig minuten te vroeg en zat al te wachten in de hal, die ook als wachtruimte fungeerde. Er stonden twee grote boodschappentassen tussen hun in. De enorm penetrante geur kwam overduidelijk bij hen vandaan.
Shit
Ik was me er zeer van bewust dat de twee mensen die op de bank zaten, dakloos waren. Dat betekende dat het voor hen een heel stuk lastiger was om op hun persoonlijke hygiëne te letten. Het gebeurde vaker dat onze dakloze klanten niet zo frisjes op afspraken kwamen. We deden daar nooit moeilijk over, we snapte maar al te goed hoe lastig het is om je in deze wereld staande te houden zonder dak boven je hoofd. Gewoon niet te veel door je neus ademen en wat ramen en deuren tegenover elkaar open zetten. Dan waren de ongewilde geurtjes snel weer verdwenen. Maar dít, wat ik nu rook, sloeg werkelijk alles. Dit waren geen mensen die zichzelf “niet zo goed verzorgden”, dit waren mensen die zichzelf zwáár verwaarloosd hadden. Hoe langer ik in de deuropening stond, hoe lastiger het werd om de kokhalsneigingen te negeren. Ik wist nu al dat de geur in de hal nog dagen te ruiken zou zijn.
Ik stond even in dubio, maar al snel won mijn gezonde verstand het. Ik kon ze op deze manier echt niet bij ons in de spreekkamer plaats laten nemen (een kleine ruimte waar maar één raampje een beetje opengezet kon worden) en ook niet in mijn eigen kantoor (een grote ruimte die ik deelde met collega’s). Het zou voor ons onmogelijk zijn om te werken met die geur in onze neus. Los van het feit dat het volgens mij ook gewoon heel ongezond zou zijn.
‘Meneer en mevrouw Zoetekauw,’ ik bleef in de deuropening staan met de deur open, ‘wat fijn dat jullie er al zijn. Lekker op tijd!’
De man en de vrouw die op de bank zaten, waren klein van stuk. Het was goed te zien dat ze hun haar al wekenlang (misschien wel maandenlang) niet gewassen hadden. Ze droegen veel te dikke kleding voor de tijd van het jaar. Kleding die eigenlijk linea recta de kliko in zou moeten; geen wasmachine ter wereld zou daar nog iets van kunnen maken. Hun huid zag er grauw en schilferig uit. Hun gebit (beiden misten een aantal tanden en kiezen) zat vol plak en tandsteen en ik zag een aantal voortanden wiebelen in hun mond.
Het hele tafereel voor me was eigenlijk gewoon mensonterend. En het trieste was dat ze dit zichzelf hadden aangedaan, want, zorgmijders; mensen die hulp nodig hebben én toegang hebben tot die hulp, maar die de hulp om uiteenlopende redenen weigeren: angst, trots, schaamte, wanhopig vast blijven houden aan hun vrijheid, eigenwijsheid, wantrouwen. Wat de reden ook was, het resultaat bleef hetzelfde en zat nu bij mij in de hal. Twee paar ogen keken me achterdochtig aan.
‘Ik denk dat het voor vandaag goed is als we hier buiten kennis maken met elkaar.’ Ik maakte een weids gebaar naar de binnenplaats, die zich uitstekend leende voor wat ik voor ogen had. ‘Ik zal een aantal stoelen neerzetten voor ons.’ Ik liet ze nog heel even binnen wachten.
De man en de vrouw hadden nog geen woord gezegd en terwijl ik bezig was om drie plastic kuipstoeltjes bij elkaar te zetten rondom een plastic voetenkruk die mooi als tafeltje kon dienen, bleven ze me door het raam van de deur heen met argusogen volgen.
Toen ik klaar was met de inrichting van de buitenspreekkamer, haalde ik diep adem en deed de deur weer open. Ik gebaarde naar ze om met mij naar buiten te gaan. Ze stonden op, pakten allebei een tas en volgden me.
‘Wat willen jullie drinken?’ vroeg ik toen ze gingen zitten. ‘Koffie, thee – we hebben verschillende smaakjes – of liever een glas water?’
Ze kozen voor de koffie en nadat ik twee kopjes voor hen neer had gezet, nam ik ook plaats aan het voetenbank-tafeltje.
‘Welkom,’ zei ik. Ik begrijp dat jullie wat hulp nodig hebben bij de financiën?’
Mevrouw Zoetekauw gaf antwoord. ‘Ik begin een beetje ziek te worden en waar we nu slapen is voor mijn gezondheid helemaal niet meer goed. Dus we zijn bezig om een woning te krijgen maar dan moeten we wel en bewindvoerder hebben.’ Ze schoof een van de boodschappentassen mijn kant op.
‘Waar slapen jullie op dit moment?’ vroeg ik.
‘We hebben voor weinig een caravan op de kop getikt en die staat nu ergens op iemands privé terrein. Daar wonen we prima,’ zei meneer Zoetekauw.
‘Als ik naar jullie kijk, heb ik sterk het vermoeden dat het allemaal helemaal niet zo prima is.’ Ik keek ze vragend aan.
‘Nee, dat is het ook niet,’ zei mevrouw Zoetekauw een beetje snauwerig. De toon was meer naar haar man gericht dan naar mij. ‘Daarom hebben we een bewindvoerder nodig zodat we ergens een huis kunnen huren. En we hebben ook heel veel schulden,’ zei ze er achteraan, terwijl ze naar de boodschappentas gebaarde.
Ik boog wat voorover om in de tas te kunnen kijken. Deze zat vol met papieren en heel veel ongeopende enveloppen. Ik zag er een aantal van die blauwe tussen zitten en ik herkende de logo’s van verschillende deurwaarders. Ik had sterk het vermoeden dat de tas nog niet zo lang geleden als kattenbak was gebruikt. Er zat allemaal grind tussen, ik zag een paar keutels liggen en het rook naar kattenpis.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik zie wel dat er hulp nodig is en bewindvoering aanvragen lijkt mij ook een prima oplossing. Ik heb begrepen dat jullie op dit moment begeleid worden door Pieter, ik stel voor dat hij en ik gaan proberen om samen te werken zodat we er voor kunnen zorgen dat jullie in ieder geval qua financiën zo snel mogelijk weer een beetje op de rit staan.’
Ze knikten. Dat leek hen ook een prima idee. Ik mocht alles wat we hier bespraken, ook bespreken met Pieter.
Ik gaf ze beknopt uitleg wat een bewindvoerder allemaal wel en niet zou doen. Ze hadden al het een en ander van Pieter gehoord, maar ik vond het belangrijk dat ze de uitleg ook van mij zouden krijgen. Duidelijkheid is, vooral in die beginfase als je elkaar nog leert kennen, ontzettend belangrijk. Vervolgens legde ik uit welke stappen we nu moesten gaan nemen om het beschermingsbewind op te gaan starten. Stap één was de aanvraag van het bewind.
‘Ik kan de aanvraagformulieren voor jullie opstellen. Ik heb dan nog wel een kopie nodig van jullie ID-bewijzen. Hebben jullie die bij je?’
Nee, die hadden ze niet bij zich.
‘Goed, kunnen jullie begin volgende week dan terugkomen met jullie ID-bewijzen? Dan maak ik daar een kopie van en kunnen jullie de aanvraag ondertekenen. Zodra ik die heb verstuurd naar de rechtbank, zal het nog een maand of drie duren voordat het bewind wordt uitgesproken.’
Ze knikten weer. Volgende week was prima. Ze stonden op en liepen al richting de poort om te vertrekken. De twee boodschappentassen hadden ze laten staan.
‘Jullie vergeten de tassen!’ riep ik.
‘Uh, daar moet jij nu toch iets mee doen?’ zei mevrouw Zoetekauw.
‘Nee, op dit moment kan ik daar nog niets mee, omdat eerst het bewind aangevraagd moet worden. En daarnaast ben ik niet van plan om iets met déze post te gaan doen. Die is echt ontzettend vies. Ik zal wel even met Pieter overleggen wat daar mee gedaan kan worden. Maar voor nu moeten jullie dit meenemen. Ik kan echt pas iets gaan doen voor jullie als het bewind is uitgesproken. En op dit moment is het bewind nog niet eens aangevraagd.’
Ze kwamen weer terug en pakten allebei een tas op. ‘Goed,’ zei mevrouw Zoetekauw, ‘volgende week komen we weer even terug dan.’
Ik zwaaide ze uit en zette direct de deur van kantoor wagenwijd open. De hal moest echt goed doorgelucht worden. Vervolgens belde ik Pieter. We bespraken allereerst het fysieke voorkomen van meneer en mevrouw. Hij had ze nog nooit op kantoor gehad, dat was in deze staat ook bij hen geen optie. De afspraken hadden tot nu toe plaatsgevonden bij het echtpaar voor de caravan, die van binnen overigens ontzettend smerig was. Het was heel lastig om de twee in beweging te krijgen. Het zou een flinke uitdaging worden voor Pieter en zijn collega’s om het echtpaar op zijn minst een beetje schoon te krijgen en te houden. Ze hadden ook al van een arts gehoord dat dit zeer belangrijk was, vooral in verband met de gezondheid van mevrouw Zoetekauw. Ze zouden bij een kringloopwinkel wat kleding voor ze kopen en bij de maatschappelijke de opvang konden ze gebruik maken van een douche. Ik wenste ze er veel succes mee.
‘Heb jij hun administratie al gezien?’ vroeg ik hem.
‘Nee,’ antwoordde Pieter. ‘Ik had ze wel geadviseerd om die mee te nemen zodat je al een beetje een idee kon krijgen wat er aan de hand is.’
‘Nou, ik heb daar inderdaad wel een idee van,’ zei ik grinnikend. ‘Het is overduidelijk dat er hulp nodig is én dat er aardig wat schulden zijn. Het probleem is nu dat de tassen met post ook gebruikt worden als kattenbak. Misschien is dat ook iets voor jullie om in te ondersteunen. Hulp bij het uitpakken van de post en deze apart leggen. Dan kan die post aan mij gegeven worden zodra het bewind is uitgesproken.’
Pieter ging dit in het Plan van Aanpak vermelden zodat dat ook opgepakt zou gaan worden.
De week daarop kwamen meneer en mevrouw Zoetekauw niet opdagen. Ook reageerden ze niet op mijn belletjes. Ik overlegde met Pieter. Die zou bij zijn volgende bezoek alvast foto’s maken van hun ID-bewijzen zodat ik in ieder geval de aanvraagformulieren voor het bewind verder in kon vullen.
Een aantal dagen later kreeg ik de foto’s doorgemaild en liet Pieter me weten dat meneer en mevrouw de volgende dag bij mij langs zouden komen om de aanvraag te ondertekenen.
De volgende dag kwamen ze weer niet opdagen. Wel vond ik de volgende ochtend wat ongeopende post van de familie Zoetekauw in de brievenbus. Ik belde ze en deze keer nam mevrouw Zoetekauw op.
‘Ja,’ zei ze, ‘we komen volgende week terug om de aanvraag te ondertekenen. Ik heb wel wat post in de brievenbus gedaan.’
‘Ik heb inderdaad wat enveloppen gevonden, maar daar kan ik op dit moment nog helemaal niets mee. Ze liggen hier dus ongeopend. Als jullie er volgende week zijn, kunnen jullie ze meenemen. Ik heb met Pieter afgesproken dat zij jullie de komende maanden ook gaan helpen om de post een beetje te sorteren en op een veilige plek te bewaren voor me.’
De week daarop kwamen ze weer niet langs. De aanvraagformulieren voor het bewind lagen nu al ruim twee weken klaar. Ik maakte het wel vaker mee dat zelfs de simpelste handeling (even langskomen op kantoor om een handtekening te zetten) al een hele grote stap was voor sommige mensen. Ik overlegde weer met Pieter. Die stelde voor dat hij de formulieren zou komen ophalen bij me. Dan kon hij ze bij de volgende afspraak die hij met het echtpaar had, laten tekenen. Dat vond ik prima. Maar ook dit verliep niet heel erg vlotjes. Ze wilden de aanvraagformulieren eerst goed doornemen (wat helemaal prima is natuurlijk) en zouden de formulieren daarna getekend bij mij in de brievenbus gooien.
De weken verstreken en nog steeds had ik niets ontvangen. Ik belde ze regelmatig op, maar steeds namen ze óf niet op, of ze lieten me weten de volgende dag langs te komen (wat ze vervolgens niet deden). Ondertussen hadden Pieter en zijn collega’s ook heel wat te stellen met het echtpaar. Ze werkten bijna nergens aan mee, maar Pieter en consorten bleven, zonder al te pusherig te worden, aandringen en contact houden. Mijn gedachte was: veel erger dan dit kunnen die financiën niet worden. Een paar maanden uitstel voordat het bewind aangevraagd gaat worden, zal voor de situatie niet veel uitmaken. Ik wachtte het dus rustig af.
Op een ochtend werd ik gebeld.
‘Ja, goedemorgen,’ zei de stem aan de andere kant van de lijn, ‘mijn naam is Dirk Lamas, ik ben de advocaat van meneer en mevrouw Zoetekauw.’
‘Goedemorgen meneer Lamas,’ zei ik, ‘waar kan ik u mee helpen?’
‘De familie Zoetekauw is bij mij op kantoor geweest omdat ze zeer ontevreden zijn over hun bewindvoerder. U dus.’
Ik begon heel even aan mezelf te twijfelen. Had ik misschien iets gemist de afgelopen weken? ‘Goh,’ reageerde ik dus maar.
‘Ze vertelden mij dat ze nog geen enkele keer leefgeld van u ontvangen hebben en dat u nog helemaal níets heeft gedaan met de schulden. Dan vind ik zeer nalatig gedrag en ik ben dan ook, op verzoek van meneer en mevrouw, aan het kijken hoe ik u aansprakelijk kan stellen voor hun geleden schade.’
‘Goh,’ reageerde ik weer.
‘Ik ga ook een klacht over u indienen bij de rechtbank, maar ik vond het wel zo netjes om u hierover in ieder geval op de hoogte te stellen.’
‘Nou,’ zei ik, ‘dat is zeer vriendelijk van u. Maar weet u zeker dat de familie Zoetekauw bij mij onder bewind staat?’
‘Jazeker, ze hebben me úw naam en telefoonnummer gegeven.’
‘U bent zeker vergeten om te vragen naar de beschikking,’ vroeg ik vriendelijk.
‘Hoe bedoelt u?’
‘Nou, als u had gevraagd om de beschikking, was u er achter gekomen dat er helemaal geen beschikking ís. Dan had u mij ook niet hoeven bellen met uw achterlijke dreigement om mij aansprakelijk te stellen voor hun geleden schade.’
‘Uh, ze staan dus niet bij u onder bewind?’ vroeg meneer Lamas. Hij klonk ineens heel wat minder zeker van zijn zaak.
Ik legde hem kort uit wat de situatie was en dat de aanvraag nog steeds niet gedaan was omdat meneer en mevrouw Zoetekauw de formulieren niet hadden getekend.
‘Oh,’ reageerde hij, ‘dan ben ik blijkbaar verkeerd ingelicht.’
‘Ja, daar lijkt het op inderdaad. Ik vind het wel heel bijzonder dat u mij belt en er direct met een gestrekt been in bent gegaan. Wat ik echter zorgelijk vindt, is dat ik hier te maken hem met een echtpaar dat er niet voor schroomt om een advocaat in de arm te nemen met als doel hun bewindvoerder aansprakelijk te stellen. Terwijl ze dondersgoed weten hoe het zit. Dat geeft me zeer te denken of ik hen wel als klant aan wil nemen want het is zeer waarschijnlijk dat ze dit in de toekomst vaker zullen doen. Ik zal het intern nog overleggen met mijn partners, maar zoals ik er nu over denk, ga ik bedanken voor de eer en mogen ze op zoek naar een ander kantoor voor het bewind.’
Meneer Lamas begon nu een beetje te sputteren. Dit was toch allemaal niet de bedoeling geweest. Het was allemaal een misverstand. Ik moest geen overhaaste beslissing nemen. Vanuit zijn standpunt begreep ik die reactie wel. Hij zou nu terug moeten naar zijn klanten om niet alleen te vertellen dat er geen schadevergoeding te halen viel, maar ook dat ze waarschijnlijk ook op zoek moesten naar een andere bewindvoerder. Dat was natuurlijk geen leuke boodschap.
Ik wenste hem nog een fijne dag (helaas was de toon nogal sarcastisch, mijn innerlijke Boeddha lag waarschijnlijk te slapen) en hing op. Na kort overleg met de andere partners waren we het er unaniem over eens: meneer en mevrouw Zoetekauw mochten op zoek naar een andere bewindvoerder.
Later hoorde ik van Pieter (die het overigens volledig begreep dat wij geen bewindvoerder meer wilden worden van het echtpaar) dat meneer en mevrouw Zoetekauw zeer ontevreden waren over hun advocaat en er zelfs aan dachten om een klacht over hem in te dienen. Tsja…
“Je kunt een paard naar het water leiden, maar je kunt het niet dwingen om te drinken”.
Vond je het een interessant verhaal, of misschien juist grappig of ontroerend? Je kunt mijn werk steunen door een duimpje te geven, het verhaal te delen of door hieronder een bericht achter te laten.
Was weer een geweldig verhaal. Eat heb je toch een bijzondere mensen.
Dank je Esther 🌺. En inderdaad, er zijn heel veel bijzondere mensen. In alle geuren en kleuren 😬
Zo bijzonder weer… niet erg dat ze geen cliënt zijn geworden uiteindelijk 😅
Nou, inderdaad! We hadden waarschijnlijk ontzettend veel onnodige stress gekregen van ze!