
Geschatte leestijd: 9 minuten
Karel was een boefje. Dat wist ik natuurlijk nog niet toen ik hem voor het eerst ontmoette, maar door de jaren heen ving ik steeds vaker een glimp op van zijn kleurrijke persoonlijkheid. Hij was zijn hele leven stratenmaker geweest totdat hij rond zijn vijftigste een herseninfarct had gekregen en daardoor niet meer in staat was om nog lange dagen te werken. Het infarct zorgde er ook voor dat hij niet goed meer begreep hoe een administratie bijgehouden moest worden. Ook overzag hij niet dat het niet betalen van je huur op de lange termijn hele vervelende gevolgen kan hebben. Er werd gelukkig op tijd hulp ingeschakeld waardoor een ontruiming voorkomen kon worden. Hij kreeg een persoonlijke begeleidster, Astrid, om hem in het dagelijkse leven bij te staan en ik werd door de rechtbank aangesteld om te gaan zorgen voor de financiële stabiliteit.
Tijdens het intakegesprek was hij chaotisch en onrustig.
Zijn verhaal ging van de hak op de tak. ‘Ja, ze zeggen wel dat ik niet meer kan werken, maar dat bepaal ik natuurlijk zelf nog wel!’ riep hij terwijl hij uitdagend zijn armen over elkaar sloeg. ‘Moet ik zeker van een uitkering gaan leven? Met al die achterlijke regels waar ik me aan moet houden!’ Hij wees met een beschuldigende vinger naar Astrid, die naast hem zat. ‘Ik word echt doodmoe van die mensen.’
Astrid keek hem fronsend aan en haalde haar schouders op. Die achterlijke regels waar Karel het over had, kwamen niet bij haar vandaan maar bij de uitkeringsinstantie. En zo achterlijk waren die regels overigens niet, maar Karel hier was blijkbaar van mening dat hij simpelweg iedere maand geld op zijn rekening gestort moest krijgen zonder ook maar enige tegenprestatie. Ik voelde me op dat moment niet geroepen om hier iets over te zeggen en wachtte af wat er nog meer zou gaan komen.
Er volgde een heel relaas over wat er allemaal fout was in de huidige maatschappij. Op sommige punten moest ik hem gelijk geven maar met de meeste argumenten raakte hij kant nog wal. Zijn verhaal ging gepaard met de nodige scheldwoorden en vervloekingen. De ziektes vlogen over de tafel en door zijn bloemrijke verwensingen moest ik bekennen dat ik best een beetje onder de indruk was. Hoewel hij qua lengte nou niet perse zo imponerend was, was zijn postuur dat wel: brede schouders met flink gespierde armen. Ik zou niet graag het lijdend voorwerp willen zijn van zijn boosheid.
Na het zoveelste k-woord onderbrak ik hem. ‘Karel, besef je hoe dreigend je nu op mij overkomt?’
Karel was stil en keek me geschokt aan.
‘Wanneer heb jij voor het laatst in de spiegel gekeken? Heb je die armen van jou wel eens gezien? Ik weet bijna zeker dat je mij met één hand doormidden zou kunnen breken als je dat wilde.’
Hij keek verbaasd naar zijn armen en vervolgens weer naar mij. ‘Maar meisje,’ zei hij – ik was op dat moment al op een leeftijd dat ik het in sommige situaties al lang niet meer erg vond om “meisje” genoemd te worden – ‘ik zou jou toch nooit iets aandoen!’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik ken jou nog niet dus dat weet ik niet. Ik zie nu alleen een flinke vent tegenover me zitten die ontzettend boos doet. En dat maakt best indruk op me.’
‘Ja Karel, nu hoor je het ook eens van een ander,’ zei Astrid. Ze keek Karel, die ondertussen een stuk rustiger was geworden, vragend aan.
‘Ah,’ reageerde hij. Hij kuchte. ‘Normaal was ik nooit zo hoor,’ zei hij fronsend. Hij vertelde me vervolgens wat een arts hem eens had uitgelegd. Blijkbaar was dat schelden en vloeken en boos doen (bijna op het agressieve af) ook een gevolg van het infarct omdat het gebied in de hersenen dat zorgt voor emotiecontrole, impulsen en sociaal gedrag, beschadigd was. ‘Maar echt hoor, ik zou jou nooit iets aan doen! Echt niet!’
Ik knikte. ‘Dat vind ik fijn om te horen. Het zou anders best lastig worden voor mij om mijn werk te doen als ik steeds bang ben voor je,’ zei ik met een hele grote grijns op mijn gezicht. ‘Ik ben blij dat dit nu opgehelderd is, want er moet nog wel wat gebeuren denk ik om jouw financiën op de rit te krijgen.’
Hij wipte op en neer op zijn stoel. ‘Ik ken zat mensen waar ik nog wat van te goed heb. Die zal ik binnenkort wel eens een bezoekje gaan brengen. En ik heb die paar rotcenten van zo’n kutuitkering toch niet nodig, want ik werk gewoon.’
‘Oh, nou,’ zei ik. ‘Dat is mooi. Hoeveel heb je nog te goed van mensen en hoeveel verdien je per maand? Dan kan ik een plan gaan maken om je zo snel mogelijk uit de schulden te helpen.’
Karel begon te huffen en te puffen.
Astrid had wat moeite om haar gezicht in de plooi te houden. Want Karel had van helemaal niemand iets te goed. En werken deed hij al enkele jaren niet meer. Natuurlijk wist ik dat ook. Astrid had me namelijk al verteld dat hij vanwege het infarct soms dingen vertelde die helemaal niet klopten maar die voor hem wel voelde als de waarheid. En zijn verhaal over al die tegoeden en over dat werk viel overduidelijk in die categorie.
‘Zal ik in mijn plan dan maar enkel rekening houden met je uitkering en alle toeslagen? Dat lijkt me misschien wat veiliger, denk je niet?’ Ik knikte hem bemoedigend toe.
Hij mompelde iets en knikte vervolgens. ‘Ja, dat lijkt me dan wel een beter idee.’
Er volgden wat interessante weken, want er werd dus wel íéts verwacht van Karel. Niet veel hoor. De uitkeringsinstantie wilde gewoon een keer kennismaken met hem en hadden al lang besloten dat ze hem, vanwege zijn medische achtergrond, verder geen verplichtingen op zouden leggen. Maar zelfs dat was al te veel voor Karel. Hij belde me woest op.
‘Ik sloopt dat hele kantoor! Stelletje tyfuslijers!’ brieste hij in mijn oor.
‘Nou Karel, dat lijkt me niet zo’n goed idee.’
‘Wat kan mij het verrotte! Ze kunnen de tering krijgen!’
‘Poeh, tsja,’ begon ik aarzelend, ‘je maakt het dan wel heel lastig voor mij om mijn werk goed te doen.’
‘Oh?’
‘Ja, als jij je niet aan jouw verplichtingen houdt, dan komt er geen geld meer binnen en kan ik niets meer betalen.’
‘Oh, nou meisje, ik wil het jou echt niet lastig maken hoor. Dan ga ik wel naar die kloteafspraak.’ Hij klonk ineens een heel stuk vriendelijker.
Karel was een vat vol tegenstrijdigheden…
En Karel bleek ook een grote verhalenverteller te zijn. Hij vertelde over de meest bizarre gebeurtenissen.
Zo was hij thuis overvallen door drie mannen met bivakmutsen. Maar Karel had een wapen op zijn nachtkastje liggen en had de mannen daarmee weg kunnen jagen. Natuurlijk had hij de politie gebeld. Die waren bij hem thuis geweest en vertelde hem dat het helemaal prima was dat hij dat wapen had. Er werd ook een keer een molotovcocktail bij hem naar binnen gegooid en weer een andere keer werd hij op straat aangesproken door oude bekenden die weinig goeds in de zin hadden omdat ze nog een appeltje met hem te schillen hadden. Gelukkig wist hij ze heldhaftig van zich af te houden.
Ik vond de verhalen best vermakelijk en wist dat er natuurlijk helemaal niets van waar was. Ik liet Karel wel steeds weten dat ik blij was dat hij niet gewond was geraakt.
Op een dag werd ik gebeld door een advocaat. Over Karel. Die was namelijk enkele dagen daarvoor opgepakt vanwege een geweldsdelict en zat nu in voorarrest. De advocaat had toestemming gekregen van Karel om mij hierover in te lichten. Het voorarrest zou niet al te lang meer duren, dacht de advocaat, want Karel zat onterecht vast. Natuurlijk, hij had een aantal flinke meppen uitgedeeld, maar dat was uit zelfverdediging. Hij was namelijk op straat belaagd door een aantal mannen die het al langer op hem voorzien hadden. Maar blijkbaar hadden zij zich een beetje verkeken op Karel want de mannen werden na de confrontatie gewond afgevoerd, en Karel zat nu in de cel. Onterecht dus. Zelfs in het politierapport stond dat hij had gehandeld uit zelfverdediging. En de advocaat kreeg uiteindelijk gelijk. Een aantal weken later belde Karel mij. Hij was weer thuis en er zou nu zelfs iets van een schadevergoeding geëist gaan worden omdat hij onterecht had vastgezeten. Niet hij, maar de belagers waren schuldig aan de situatie.
Tja, nu werd het wel wat ingewikkelder voor me om door zijn verhalen heen te prikken.
Want Karel belde vaak naar kantoor omdat hij altijd tekort kwam. Wekelijks en soms zelfs dagelijks belde hij voor extra geld uit zijn spaarpot. Geld voor medicijnen. Geld voor een nieuwe broek om te kunnen dragen naar de uitvaart van zijn vader (natuurlijk condoleerde ik hem: ‘wat verdrietig Karel dat je vader is overleden’). Geld voor een nieuwe fietsband. Geld voor een mooi overhemd om te kunnen dragen naar de uitvaart van zijn vader (huh, je vader was toch vorig jaar al overleden?) Geld voor extra boodschappen. Geld voor een bloemenkrans voor de uitvaart van zijn vader (dit was de derde keer dat zijn vader was overleden). Geld voor de kapper. Geld voor een volgauto voor de uitvaart van zijn vader (de vierde keer dat zijn vader overleed, wat een pech kunnen sommige mensen toch hebben hè).
Zolang er geld in zijn spaarpot zat was het antwoord op zijn verzoeken voor extra geld altijd “ja”.
Maar soms was die spaarpot leeg. Dan was het antwoord dus “nee”. Dan moest Karel tot de volgende maand wachten, tot er weer wat geld in die spaarpot zat. Het gebeurde wel eens dat hij in zo’n geval in woede uitbarstte. We wisten bij Karel waar dat vandaan kwam. Maar soms ging hij toch echt wel een grens over. Dan schold hij bij een collega net iets te veel met een bepaalde ziekte, wat bij sommige mensen gewoon erg gevoelig ligt om uiteenlopende redenen. En wanneer dat gebeurde, sprak ik hem aan op zijn gedrag en kwam er altijd een welgemeend excuus.
Nu is het zo dat ik ook altijd een extra “spaarpotje” had voor Karel. En dat was een potje voor onvoorziene zaken. Als de spaarpot leeg was maar er was een noodgeval, kon ik altijd uitwijken naar dat specifieke potje. Nee, een kappersbezoek is geen noodgeval. Een nieuwe broek ook niet. Extra boodschappen ook niet. Een kapotte koelkast wel. Om maar een voorbeeld te noemen.
In de beginfase kon ik nog overleggen met Astrid. Die kwam wekelijks bij hem thuis en had beter zicht op wat zich allemaal afspeelde in het leven van Karel. Maar Astrid was na een paar maanden al de deur gewezen door hem want ze bemoeide zich overal mee, vond hij. Dus ik was compleet aangewezen op mijn eigen beoordelingsvermogen, want zijn budget was niet oneindig. Als ik op al zijn verzoeken “ja” zou zeggen, zou zijn rekening binnen de kortste keren helemaal leeg zijn. Ik moest dus soms een beetje creatief zijn om te kunnen bepalen of iets echt gebeurd was, of alleen in Karel z’n hoofd.
‘Luister,’ begon Karel op een ochtend toen hij me belde. ‘Ik weet dat mijn spaarpot leeg is.’
‘Ja, ik zie het inderdaad.’
‘Maar ik heb écht extra geld nodig.’
‘Ok, waarvoor heb je extra geld nodig Karel?’ vroeg ik.
‘Ik sta hier langs de kant van de snelweg met een lege tank. Echt levensgevaarlijk! Dus ik moet nú extra geld op mijn rekening hebben om even bij de benzinepomp een jerrycan benzine te halen.’
Karel heeft geen auto. Karel heeft geen rijbewijs. En Karel belde mij gewoon vanuit zijn huis, kon ik horen aan de achtergrondgeluiden.
‘Goh,’ zei ik, ‘dat klinkt inderdaad als een niet al te beste situatie. Waar sta je nu?’
‘Huh?’
‘Langs welke snelweg sta je?’
‘Uh.’
‘Sta je al dicht bij een benzinepomp of zul je een stukje moeten lopen?’
‘Nee, nee, ik moet wel een stukje lopen hoor, naar de pomp.’
‘Hm,’ reageerde ik bezorgd, ‘misschien is het beter dat je dan even de wegenwacht belt om je te helpen, want langs de snelweg lopen is erg onveilig. Bel ze maar direct op zodra wij opgehangen hebben en zeg maar tegen ze dat ze de factuur naar mij mogen sturen. Dan zorg ik ervoor dat die netjes wordt betaald.’
Het zal denk ik niemand verbazen (toch?) dat ik die factuur nooit heb gekregen.
Vond je het een interessant verhaal, of misschien juist grappig of ontroerend? Je kunt mijn werk steunen door een duimpje te geven, het verhaal te delen of door hieronder een bericht achter te laten.